INTERVIEW

Ber Haans


Hier kunt u telkens een interview lezen met een NT-lid. Doel is om elkaar als NT-leden wat beter te leren kennen. Aan elke geinterviewde persoon worden vijf dezelfde vragen gesteld.

Dit keer een interview met Ber Haans

 

VRAGEN

ANTWOORDEN

VRAAG 1: Kunt u een korte schets van uzelf geven?

De recente antwoorden op vraag 1 doen mij denken aan een tv-programma van weleer, te weten "Wie van de Drie." Hierbij moesten de panelleden raden bij welke van de drie deelnemers het opgegeven beroep of kwaliteit (bijvoorbeeld: vader van die of die) het beste paste. Bij dit interview van het Nederlands Textielinstituut is het niet moeilijk te raden wat voor vlees je in de kuip hebt. Het zijn allemaal mensen die gegrepen zijn door het textielvak en die niets liever doen dan daarover praten. En in veel gevallen is die gedrevenheid al generaties lang zo in de familie aanwezig. Ik maak daarop geen uitzondering. In mijn verbeelding zie ik mij al in het genoemde tv-programma opkomen met de woorden: ”Ik ben Ber Haans, textieltechneut in hart en nieren”.

 

Mijn grootvader was wever bij de firma Enneking in Tilburg, mijn vader was er weverijleider, en ik heb die functie op een gegeven moment van hem overgenomen. Als oudste van 10 kinderen ben ik opgegroeid in een kinderrijke buurt in Tilburg, gelegen tussen een gasfabriek, een melkfabriek en een aantal textielbedrijven.

In de schoolvakanties ging ik bij mijn opa bijwever spelen en terwijl ik het getouw bediende, ging mijn grootvader ergens stiekem een sigaret roken. Ik ben nu zelf grootvader, maar helaas zullen mijn kleinkinderen (vier in getal) uit moeten wijken naar verre landen, als ze in de textiel hun brood zouden willen verdienen.

 

In mijn huidige functie als directeur/eigenaar van Textiel-Technisch en Commercieel Adviesbureau Haans BV kom ik vaak in deze landen, om er bedrijfsevaluaties uit te voeren of om technische besprekingen te voeren voor of met mijn klanten. En ook in deze landen tref ik mensen aan, die met hun hele ziel en zaligheid en al hun creativiteit in de textiel werkzaam zijn. En die dat zeker niet slechter doen dan wij.

 

Toen in 1974 de familie Enneking op “advies van professor Tinbergen ” en Bureau Bakkenes besloot om de fabriek te sluiten, heb ik net als veel van mijn collega’s mijn heil ergens anders gezocht. Zo ben ik terechtgekomen bij de Intendance van de Politie als hoofd van de afdeling Aanschaf en Onderzoek. Gelukkig nam ook in deze baan de textiel weer een grote plaats in. Alleen zat ik nu aan de andere kant van de tafel. Ik was van de productie naar de inkoop gegaan en van de industrie naar de overheid. Maar mijn interesse in kwaliteitszorg en efficiency kon ik er voldoende kwijt. Ik moest me voor mijn baan natuurlijk veel bezig houden met technische voorschriften voor stoffen en geconfectioneerde artikelen, met normen, steekproeven, AQL’s en allerlei keuringsniveaus.

 

Tenslotte heb ik in 1995 de overstap gemaakt naar de adviesbranche en het vrije ondernemerschap, om bedrijven en instellingen mee te laten profiteren van mijn kennis, opgedaan aan beide zijden van de zojuist genoemde tafel. Met enig geluk en enkele goede klanten ben ik erin geslaagd om mijn doelstellingen te verwezenlijken. En tevens kan ik aan de wens van ons kabinet om mensen langer te laten werken, met veel plezier tegemoetkomen. Dat ik daarbij tegen een redelijke vergoeding mijn kennis kan overdragen aan jonge mensen, doet mij ook veel deugd.

VRAAG 2:
Kunt u een korte schets geven van uw bedrijf en uw werkzaamheden.

Mijn bedrijf houdt zich op dit moment vooral bezig met Corporate Identity. Dat houdt in: het verzorgen van uniforme kleding voor professionals die door hun kleding geïdentificeerd moeten kunnen worden als leden van een bepaald bedrijf of organisatie. Dat dit gebeuren moet door professionals, is vanzelfsprekend, want veel mensen op een zelfde manier kleden, dat is en blijft een vak. Anderen noemen het volgens mij ten onrechte Corporate Fashion, want uniformkleding die in vier tot acht jaar niet verandert, kun je moeilijk ‘Fashion’ noemen, vind ik. Het modebeeld verandert immers in deze tijdwel vier maal per jaar.

 

Het is niet eenvoudig om mensen die in een organisatie vaak heel verschillend werk doen, er gedurende vele jaren goed uit te laten zien in comfortabel zittende kleding. De verschillende groepen binnen zo’n organisatie hebben vaak heel verschillende kledingwensen, omdat hun bewegingspatronen en werkhoudingen vaak zo verschillend zijn. De kleding moet dus een grote bewegingsvrijheid geven, maar er wel hetzelfde uit blijven zien. En de verschillende onderdelen van het pakket moeten in kleur, combinatie en model op elkaar zijn afgestemd en gedurende lange tijd onveranderd leverbaar zijn.

 

Dit laatste vereist, naast textieltechnische kennis ook inzicht in logistieke processen. En omdat de juiste persoonsgebonden maten ook bij meerdere herhalingsbestellingen bij de juiste persoon terecht moeten komen, is een geavanceerde database en een goed gebruik daarvan onontbeerlijk. Textielkennis in al zijn facetten is nodig om een goed advies te kunnen geven over weefsels, in uitvoeringen van 80 tot 350 gram per m², en breisels van 18er deling voor T-shirts tot en met 6er deling voor commandotruien en of mutsen. Dat in al deze artikelen veel verschillende grondstoffen worden verwerkt om het draagcomfort te optimaliseren, is zeer begrijpelijk. Grondstofkennis van wol, katoen, polyester en aramides, van brandvertragend tot eenvoudig reinigbaar, blijven dan ook de basis voor mijn hoogst interessante werkzaamheden.

 

Projectmatig denken en werken is nodig om de enorme diversiteit aan artikelen (als overjassen en/of parka’s met liners, maar ook zijden shawltjes en stropdassen of goed vocht opnemende damesblouses) kwalitatief hoogwaardig, tegen acceptabele prijzen én bovendien op de juiste tijd bij de klant te krijgen. Mijn zeer boeiende adviestaak kent dus vele zeer verschillende aspecten. Zonder een gedegen netwerk van vrienden en oudcollega’s, en van leveranciers van over de hele wereld, en niet te vergeten de zoekmachines van het onvolprezen internet, zonder dat alles zou mijn advieswerk minder leuk en aanzienlijk minder succesvol zijn.

VRAAG 3:
Welke activiteiten van het NT spreken u het meeste aan en waarom?
Activiteiten zijn: 
* Studiedagen/symposia
* Ronde tafelbijeenkomst
* Lunchbijeenkomst
* Algemene ledenvergadering
* Combinatie:

   lezing + bedrijfsbezoek
* Website

Welke activiteiten van het Nederlands Textielinstituut mij het meest aanspreken kan ik moeilijk zeggen, want steeds weer slagen initiatiefnemers erin, om interessante inleiders te vinden die elke keer opnieuw hun bedrijf of de tijdens hun onderzoek opgedane ervaring op een kleurrijke manier te presenteren.

 

Het laatste symposium “Textiel onder vuur” was hiervan een goed voorbeeld. Zoveel verschillende kanten van de textiel werden professioneel belicht, van wat textiel voor mogelijkheden kan bieden, ook in extreme situaties, tot en met het feit dat enkele seconden meer reddingstijd kunnen beslissen over dood of leven. Dat is een prestatie van formaat. Zo’n symposium bewijst tevens, dat de toepassing van textiel, zeker in zijn zeer vooruitstrevende technische uitvoeringen, ook in West-Europa nog alle bestaansrecht heeft.

 

De Ronde-Tafelbijeenkomsten zowel als de lunchbijeenkomsten worden door mij regelmatig bezocht. Hoewel de lunchbijeenkomsten niet altijd even goed in mijn tijdschema passen (als je niet uit de regio afkomstig bent, zit je al gauw met een gebroken dag), toch vind ik ze voor het o zo noodzakelijke netwerken van het grootste belang De combinatie van lezing plus bedrijfsbezoek heeft duidelijk mijn voorkeur.

 

Door de inspanningen van het Nederlands Textielinstituut is de textielindustrie duidelijk toegankelijker en opener geworden. We zien nu godzijdank collectief in, dat ‘geheimzinnig doen’ niet meer van deze tijd is, en dat we elkaar altijd nodig zullen hebben om als bedrijfstak te kunnen overleven.

VRAAG 4:
Wat zijn – naast uw werkzaamheden - uw overige interesses?

Mijn overige interesses liggen bij de groei, ontwikkeling en bezigheden van mijn kleinkinderen en bij het wel en wee van mijn kinderen en hun partners. Maar ook wandelen in de natuur met mijn vrouw of met vrienden is een tijdsbesteding die ik niet zou willen missen. De computer en de voortdurende uitdaging die deze met zich meebrengt, nemen de rest van mijn vrije tijd in beslag. De website van het Nederlands Textielinstituut komt uiteraard regelmatig op mijn scherm.

VRAAG 5:
Aan wie geeft u het “stokje” door?

Ik zou graag het stokje willen doorgeven aan Ad Wittgen. Ook hij is een textielman in hart en nieren, een man die ik al heel lang ken en die ik in diverse hoedanigheden ben tegengekomen. Hij is nu nog heel actief  in het Brabantse textielgebeuren, en daardoor kan hij ons zeker nog veel interessante dingen vertellen.

 

Terug ]